Home Kennisbank NO/ONOO-cyclus
Biochemisch mechanisme

NO/ONOO-cyclus (peroxynitriet-theorie)

Het unifying mechanism van Martin Pall voor chronische multisysteem-ziekten. Hoe stikstofmonoxide en peroxynitriet een zichzelf onderhoudende cyclus van ontsteking en oxidatieve stress vormen — en hoe die biochemisch te doorbreken is.

Wat is de NO/ONOO-cyclus?

NO/ONOO-cyclus — Martin Pall (2007) Vicieuze cyclus zelfonderhoudend na trigger ① VERHOOGD NO (stikstofmonoxide) iNOS / nNOS overactief ② PEROXYNITRIET ONOO⁻ NO + O₂⁻ → ONOO⁻ ③ BH4-DEPLETIE eNOS ontkoppelt maakt O₂⁻ i.p.v. NO ④ MITOCHONDRIËN ATP ↓ · O₂⁻ ↑ Complex I+IV genitreerd ⑤ NMDA-RECEPTOR Ca²⁺ ↑ intracellulair nNOS activeert → meer NO ⑥ NF-κB ACTIVATIE iNOS ↑ → meer NO ontstekingsgenen aan Initiële trigger: infectie · trauma · toxine · stress
De zes stappen van de NO/ONOO-cyclus (Martin Pall, 2007)

De NO/ONOO-cyclus (uitgesproken ‘no-oh-no-cyclus’) is een biochemisch feedbacksysteem dat in 2007 door de Amerikaanse biochemicus Martin L. Pall werd beschreven als een unifying mechanism voor een groep chronische multisysteem-ziekten die de reguliere geneeskunde lastig kan verklaren. Het model stelt dat een acute trigger — infectie, trauma, toxische blootstelling of langdurige stress — kan leiden tot een zelf-onderhoudende cyclus van verhoogd stikstofmonoxide (NO), peroxynitriet (ONOO−), oxidatieve stress, mitochondriale disfunctie en NMDA-overactivatie.

Het kenmerkende aan de cyclus is dat hij lokaal kan blijven bestaan zelfs nadat de initiële trigger al lang verdwenen is. Pall’s centrale these: bij aandoeningen als CFS/ME, fibromyalgie en MCS is niet zozeer de oorspronkelijke oorzaak het probleem, maar het feit dat een biochemische vicieuze cirkel in stand wordt gehouden — en dat die cirkel alleen doorbroken kan worden door tegelijkertijd op meerdere punten te interveniëren.

Dit artikel schetst de zes stappen van de cyclus, de belangrijkste triggers, de geassocieerde aandoeningen, bruikbare labmarkers en de orthomoleculaire aanpak om de cyclus stap voor stap tot rust te brengen.

De zes stappen van de cyclus

Pall beschrijft de NO/ONOO-cyclus als een gekoppeld netwerk van zes elkaar versterkende processen. Elk afzonderlijk punt is fysiologisch bekend en geaccepteerd; de vernieuwing zit in het aantonen dat deze stappen samen een positieve terugkoppeling vormen.

  1. Verhoogd NO — door activatie van inducible nitric oxide synthase (iNOS) bij infectie of trauma, of door overstimulatie van endotheliale en neuronale NOS (eNOS/nNOS). De lokale NO-concentratie stijgt tot ver boven het fysiologische signaleringsbereik.
  2. Reactie met superoxide — NO + O2− → peroxynitriet (ONOO−). Dit is een van de snelste biochemische reacties die er zijn (diffusielimiet). Overal waar NO en superoxide samenkomen ontstaat dus onmiddellijk ONOO−.
  3. BH4-depletie — ONOO− oxideert tetrahydrobiopterine (BH4), de cofactor die eNOS nodig heeft om netjes NO te produceren. Zonder BH4 raakt eNOS ‘ontkoppeld’ en gaat het enzym paradoxaal juist superoxide produceren, wat nog meer ONOO− oplevert.
  4. Mitochondriale disfunctie — ONOO− nitreert kritieke tyrosine-residuen in Complex I en Complex IV van de elektronentransportketen. Het ATP-rendement daalt, elektronenlekkage neemt toe en er ontstaat een tweede golf superoxide — terug naar stap 2.
  5. NMDA-receptor-activatie — de energetische crisis verlaagt het membraanpotentiaal; de magnesiumblokkade van NMDA-receptoren valt weg; intracellulair Ca2+ stijgt; nNOS wordt geactiveerd en produceert opnieuw NO.
  6. iNOS-inductie — ONOO− en oxidatieve stress activeren de transcriptiefactor NF-κB. Deze schakelt ontstekingsgenen in, waaronder iNOS zelf — de cyclus krijgt zo een krachtige transcriptionele versterking.

Het netto-effect: een lokaal gebied (vaak in het centrale zenuwstelsel, maar ook in spier- of darmweefsel) dat chronisch in een toestand van nitro-oxidatieve stress verkeert. De cyclus is principieel zelf-onderhoudend — dat betekent dat het wegnemen van de oorspronkelijke trigger alleen niet meer voldoende is om tot herstel te komen.

Waarom één interventie vaak niet werkt

Omdat de cyclus op zes punten tegelijk wordt gevoed, heeft het uitschakelen van één enkel element meestal te weinig effect: de overige vijf blijven het systeem aandrijven. Pall’s praktische conclusie is dat effectieve therapie een meervoudige, gelijktijdige interventie vergt op zoveel mogelijk punten van de cyclus.

Triggers die de cyclus starten

De cyclus zelf is generiek; wat hem op gang brengt kan sterk verschillen. Pall categoriseert de belangrijkste triggers als volgt.

Infecties

Virale pathogenen zoals EBV, HHV-6, enterovirussen en sinds 2020 SARS-CoV-2 zijn krachtige inductoren van iNOS. Ook bacteriële infecties zoals Borrelia burgdorferi en Mycoplasma-stammen worden in de literatuur in verband gebracht met aanhoudende nitro-oxidatieve activatie. Het klassieke patroon: de patient wordt ziek, herstelt nooit helemaal en beschrijft ‘sinds die griep ben ik nooit meer de oude geworden’.

Toxische blootstelling

Organofosfaat-pesticiden, industriële oplosmiddelen en zware metalen (met name kwik en lood) kunnen iNOS activeren én glutathion depleteren. Dit is het centrale mechanisme waarmee Pall de aandoening multiple chemical sensitivity (MCS) verklaart.

Fysiek trauma

Hersenschudding, whiplash, grote operaties en zware verbrandingen activeren lokaal iNOS en nNOS. Wanneer de cyclus eenmaal op gang is gebracht, kan hij ver na het oorspronkelijke letsel blijven bestaan — dit verklaart volgens Pall een deel van de chronische postcommotionele klachten.

Chronische stress

Langdurige psychosociale stress, chronisch slaaptekort en HPA-as-dysregulatie verhogen cytokines die iNOS induceren. Stress is zelden de enige oorzaak, maar vaak wel de factor die een latente cyclus over de drempel heen duwt.

Elektromagnetische velden

Pall heeft in zijn latere werk (2013) de hypothese uitgewerkt dat laagfrequente elektromagnetische velden spanningsgevoelige calciumkanalen (VGCC) activeren, met Ca2+-instroom en nNOS-activatie als gevolg. Dit deel van zijn werk is wetenschappelijk omstreden, maar binnen de orthomoleculaire praktijk wordt het als aanvullende overweging meegenomen bij patienten met elektrohypersensitiviteit.

Geassocieerde aandoeningen

Pall’s model biedt een gemeenschappelijk biochemisch substraat voor een groep aandoeningen die klinisch verschillend lijken, maar een vergelijkbaar profiel van vermoeidheid, cognitieve klachten, pijn en belastbaarheidsverlies vertonen.

  • CFS/ME — chronisch vermoeidheidssyndroom / myalgische encefalomyelitis: post-exertionele malaise, mitochondriale uitputting, neuro-inflammatie
  • Fibromyalgie — gegeneraliseerde pijn, central sensitization via NMDA-overactivatie, slaapfragmentatie
  • MCS — multiple chemical sensitivity: pathologische reactiviteit op lage doses chemische stoffen
  • PTSS — posttraumatische stressstoornis: neurochemisch substraat overlapt deels met chronische NMDA-activatie
  • Golfoorlogssyndroom — sarin, pyridostigmine en pesticiden als samengestelde toxische trigger
  • Post-treatment Lyme disease syndrome — aanhoudende klachten na adequate antibioticabehandeling van Lyme
  • Long COVID — sinds 2020 actief onderzoek naar overlap met klassiek CFS en rol van nitro-oxidatieve stress
  • Electromagnetic hypersensitivity — binnen Pall’s VGCC-hypothese verklaard via NMDA/nNOS-route

Belangrijk: Pall’s model vervangt geen differentiaaldiagnostiek. Auto-immuunziekten, structurele pathologie en klassieke infecties moeten eerst worden uitgesloten. Het model is vooral waardevol wanneer bij uitgebreide reguliere diagnostiek geen eenduidige oorzaak wordt gevonden maar de klachten wel dit multisysteem-patroon vertonen.

Labwaarden & markers

Er bestaat geen enkele ‘NO/ONOO-test’; de cyclus wordt indirect in kaart gebracht via een combinatie van markers voor oxidatieve schade, antioxidantcapaciteit en mitochondriale functie. De onderstaande tabel toont de meest bruikbare parameters in de orthomoleculaire praktijk.

MarkerOptimaal (orthomoleculair)Conventionele referentieBetekenis
8-OHdG (urine)< 5 ng/mg creatinine< 7,5 ng/mg creatinineOxidatieve DNA-schade
Nitrotyrosine< detectiegrensvariabel per labDirecte peroxynitriet-schade aan eiwitten
Malondialdehyd (MDA)< 1,0 µmol/L< 2,0 µmol/LLipidenperoxidatie
Glutathion (reduced, RBC)> 1.200 µmol/L800 – 1.500 µmol/LCellulaire antioxidantstatus
GSH/GSSG-ratio> 10> 5Redox-balans (actief vs. geoxideerd glutathion)
CoQ10 (serum)> 1,0 µg/mL0,5 – 1,6 µg/mLMitochondriale status en ETC-capaciteit
hs-CRP< 1 mg/L< 3 mg/LSystemische laaggradige ontsteking
Tetrahydrobiopterine (BH4)variabel, context-afhankelijkniet standaard beschikbaareNOS-koppeling / ontkoppeling

In de praktijk gaat het om patroonherkenning: een lage GSH/GSSG-ratio in combinatie met verhoogde 8-OHdG en MDA en een lage CoQ10 past sterk bij een actieve NO/ONOO-cyclus, ook zonder dat nitrotyrosine meetbaar is.

Hoe je de cyclus doorbreekt

De therapeutische strategie volgt Pall’s logica: grijp gelijktijdig aan op zoveel mogelijk punten van de cyclus. Onderstaande kern-zes vormen de basis; de tweede laag wordt naar bevinding en labwaarden toegevoegd.

NAC

600–1200 mg/dag. Precursor voor glutathion-synthese én directe peroxynitriet-scavenger. Dempt stap 2 en 3 van de cyclus.

Lees meer over NAC →

Glutathion (liposomaal)

250–500 mg/dag. Direct antioxidant; neutraliseert ONOO− en herstelt redoxbalans. Liposomale vorm voor biobeschikbaarheid.

Lees meer over glutathion →

CoQ10 (ubiquinol)

200–400 mg/dag. Mitochondriale elektronendrager; herstelt ETC-functie en vermindert elektronenlekkage — adresseert stap 4.

Lees meer over co-enzym Q10 →

L-carnitine

1–3 g/dag. Transporteert langeketen-vetzuren het mitochondrion in; ondersteunt ATP-productie en vermindert energie-crisis.

Lees meer over carnitine →

Magnesium

300–600 mg/dag (bisglycinaat of threonaat). NMDA-regulator; dempt de Ca2+-instroom en breekt stap 5 van de cyclus.

Lees meer over magnesium →

Alfa-liponzuur

300–600 mg/dag. Water- én vetoplosbaar antioxidant; recyclet glutathion, vitamine C en vitamine E tot hun actieve vormen.

Lees meer over alfa-liponzuur →

Aanvullend / tweede laag

Naar bevinding worden onderstaande nutriënten toegevoegd op basis van kliniek, labwaarden en individuele tolerantie.

  • Vitamine C — 2–4 g/dag gespreid over meerdere doses; peroxynitriet-scavenger en BH4-stabilisator.
  • Vitamine E — 400 IE/dag, bij voorkeur gamma-tocoferol-rijk mengsel; lipide-fase antioxidant.
  • Curcumine — 500–1000 mg/dag (bioverbeterde vorm); remt NF-κB en daarmee stap 6.
  • Omega-3 (EPA/DHA) — 2–3 g/dag; demping van eicosanoïde-gedreven ontsteking.
  • D-ribose — 5–15 g/dag; ondersteunt ATP-resynthese bij mitochondriale uitputting.
  • Taurine — 1–3 g/dag; membraanstabilisator, dempt NMDA-overactivatie.
  • Folinezuur / methylfolaat — BH4-recovery via pterine-pool regeneratie.
  • Melatonine — 1–5 mg voor de nacht; krachtige mitochondriale antioxidant.

Dosering en combinatie altijd afstemmen met een gekwalificeerd therapeut, zeker bij medicijngebruik of onderliggende aandoeningen.

Voedingsadvies

Voeding levert de bouwstenen voor het hele antioxidantsysteem en bepaalt mede de achtergrond-ontstekingslast. De volgende drie pijlers ondersteunen de biochemische interventies.

Bevorderlijk

  • Wilde zalm en sardines (omega-3)
  • Olijfolie extra vierge (polyfenolen)
  • Bladgroenten (folaat, magnesium)
  • Pompoenpitten (magnesium, zink)
  • Kurkuma, kaneel, kruidnagel
  • Bieten (NO-modulatie via nitraat)
  • Avocado (glutathion-precursors)
  • Eiwit bij elke maaltijd (glycine, cysteïne)

Vermijden / beperken

  • Ultraprocessed voeding
  • Industriële zaadoliën (pro-oxidatief)
  • Alcohol (depleteert glutathion)
  • Overmatig arginine in actieve fase
  • BPA-plastic (xeno-oestrogenen)
  • Pesticiden (kies biologisch)
  • Roken en passief meeroken

Leefstijl

  • Stressmanagement (HPA-rust)
  • Circadiaan ritme (slaap 22–23 u)
  • Matige beweging, geen overtraining
  • Dagelijks zonlicht (D, melatonine)
  • Sauna (heat shock proteins)
  • EMF-hygiëne in slaapkamer
  • Pacing bij post-exertionele malaise

In de actieve fase van de cyclus is pacing — het bewust onder je belastbaarheidsgrens blijven — vaak belangrijker dan welke supplementenstrategie dan ook. Overbelasting versterkt stap 4 en 5 van de cyclus en maakt elke orthomoleculaire inspanning minder effectief.

Wetenschappelijke bronnen

  • Pall (2007), J Biol Sci review: de oorspronkelijke systematische uitwerking van het NO/ONOO-cyclus-model. PubMed →
  • Pall (2013), J Cell Mol Med: uitbreiding met de VGCC-hypothese voor niet-thermische EMF-effecten. Wiley Online →
  • Pall, Explaining ‘Unexplained Illnesses’: boek waarin de cyclus wordt toegepast op CFS, fibromyalgie, MCS, PTSS en Golfoorlogssyndroom. Amazon →
  • Video-lezingen: Pall heeft zijn model op meerdere congressen toegelicht. YouTube zoeken →

Verdieping binnen deze kennisbank

Disclaimer: Deze informatie is educatief bedoeld en vervangt geen medisch advies. Het NO/ONOO-cyclus-model is een wetenschappelijke hypothese met groeiend maar nog niet volledig sluitend bewijs; niet alle onderdelen (zoals de VGCC/EMF-link) zijn algemeen geaccepteerd binnen de reguliere geneeskunde. Raadpleeg altijd een arts of gekwalificeerd orthomoleculair therapeut voordat u een protocol start, zeker bij medicijngebruik, zwangerschap of onderliggende aandoeningen. Meer info op onze disclaimerpagina.

Persoonlijke begeleiding?

Een orthomoleculair therapeut kan uw klachten in kaart brengen, relevante labwaarden beoordelen en een meervoudig protocol opstellen dat op de cyclus aangrijpt — afgestemd op uw situatie.

Therapeut zoeken →