TSH (thyroïdstimulerend hormoon) wordt geproduceerd door de hypofyse en stuurt de schildklier aan. Het werkt als een thermostaat: bij te weinig schildklierhormoon (T4/T3) stijgt TSH om de schildklier harder te laten werken. Bij teveel schildklierhormoon daalt TSH. TSH is de meest gebruikte screening voor schildklierfunctie.
| Type | Range |
|---|---|
| Laboratorium-referentie | 0,4 – 4,0 mU/L |
| Functioneel optimaal | 1,0 – 2,5 mU/L |
De brede referentierange (0,4-4,0) is gebaseerd op populatiedata inclusief mensen met subklinische schildklierziekte. In de orthomoleculaire praktijk wordt een TSH boven 2,5 als suboptimaal beschouwd. Een TSH van 3,5 is "normaal" volgens het lab maar kan al gepaard gaan met klachten.
Verhoogd TSH (>4,0 mU/L) wijst op een trage schildklier (hypothyreoïdie):
Meest voorkomende oorzaak: Hashimoto (auto-immuun thyroïditis). Meet altijd anti-TPO en anti-Tg mee.
Verlaagd TSH (<0,4 mU/L) wijst op een overactieve schildklier (hyperthyreoïdie):
Oorzaken: ziekte van Graves, toxisch knobbel, thyroïditis, overmatige schildkliermedicatie.
Als hoofddocent biochemie bij OrthoLinea was dit elke cursus terug: een normale TSH sluit geen schildklierprobleem uit. TSH is een hypofyse-hormoon, geen schildklier-hormoon. Het vertelt je hoe de hypofyse denkt over de schildklier — niet hoe het weefsel daadwerkelijk scoort. Vier voorbeelden waarbij TSH alleen misleidt:
Stress, ziekte, koolhydraatbeperking of overtraining remmen de perifere T4→T3-conversie. Het lichaam kiest voor energiebesparing: fT3 daalt, rT3 stijgt, maar TSH blijft normaal. Zonder fT3 gemeten mis je dit volledig.
Anti-TPO kan jaren vóór een afwijkende TSH al hoog zijn. Cliënt met symptomen + TSH van 2,5 (lab-normaal) en anti-TPO >200: dat is Hashimoto in de making. Zonder antistoffen-bepaling wordt de cliënt jaren als “gezond” weggestuurd.
Reverse T3 blokkeert de T3-receptor zonder actief hormoon-effect. Bij chronische stress, cortisol-dysregulatie of ijzertekort kan rT3 te hoog zijn. De fT3/rT3-ratio (optimaal > 0,20) toont dit, TSH niet.
TSH kent een duidelijk diurnaal ritme: piek tussen 02:00 en 04:00, dal in de late namiddag. Een prik om 09:00 versus 15:00 kan 30-50% verschillen. Bij levothyroxine-gebruik: nuchter prikken én medicatie érna innemen, anders meet je acute piek.
Minimum schildklierpanel: TSH + fT4 + fT3 + anti-TPO. Bij aanhoudende klachten aanvullend: rT3, anti-Tg, reverse T3, fT3/rT3-ratio, en ijzer/ferritine/selenium/zink (conversie-cofactoren).
Praktisch: de Nederlandse eerstelijn rekent meestal alleen TSH af — fT4 alleen bij afwijking. Voor een complete diagnose moet je éxpliciet vragen (of particulier laten bepalen). Geef dat je cliënten mee voordat ze naar de huisarts gaan: “ik wil een volledig schildklierpanel, niet alleen TSH”.
Technisch valt 3,5 binnen de brede referentierange (0,4-4,0). Maar veel orthomoleculaire artsen beschouwen een TSH boven 2,5 als suboptimaal, vooral bij klachten. Laat vrij T4, vrij T3 en anti-TPO meemeten voor een compleet beeld.
Supplementen vervangen geen schildkliermedicatie bij echte hypothyreoïdie. Wel kunnen selenium, zink, vitamine D en ijzer de schildklierfunctie ondersteunen en de behoefte aan medicatie verminderen. Altijd in overleg met arts of therapeut.
TSH is een hypofysehormoon, geen schildklierhormoon. Je kunt een normaal TSH hebben met een lage vrij T3 (conversieprobleem). Vraag altijd ook vrij T4 en vrij T3 aan voor het complete plaatje.
Een orthomoleculair therapeut bekijkt het totaalplaatje en stelt een persoonlijk protocol op.
Therapeut zoeken →