Vrij T4 (fT4, vrij thyroxine) is de ongebonden, biologisch beschikbare vorm van het schildklierhormoon T4. De schildklier maakt voornamelijk T4 aan (ca. 80%), dat in weefsels wordt omgezet naar het actieve T3. Vrij T4 is de "voorraadkamer" van schildklierhormoon. Samen met TSH vormt het de basis van schildklierdiagnostiek.
| Type | Range |
|---|---|
| Laboratorium-referentie | 10 – 24 pmol/L |
| Functioneel optimaal | 14 – 18 pmol/L |
Een vrij T4 in de onderste kwart van de range (10-13 pmol/L) kan al gepaard gaan met hypothyreoïde klachten, vooral als TSH ook aan de hoge kant is. In de functionele geneeskunde wordt gestreefd naar het midden van de range: 14-18 pmol/L.
Verhoogd vrij T4 (>24 pmol/L) wijst op hyperthyreoïdie:
Oorzaken: ziekte van Graves, toxisch adenoom, overmatige levothyroxine-dosering, thyroïditis (tijdelijk).
Verlaagd vrij T4 (<10 pmol/L) bevestigt hypothyreoïdie:
Bij een laag fT4 met normaal TSH: denk aan hypofyse-insufficiëntie (centrale hypothyreoïdie).
Totaal T4 meet al het T4 in je bloed, inclusief de 99% die gebonden is aan eiwitten (TBG). Vrij T4 meet alleen de ongebonden fractie die biologisch actief is. Vrij T4 is betrouwbaarder en wordt standaard aangevraagd.
Bij milde subklinische hypothyreoïdie kunnen jodium, selenium, ijzer en tyrosine de eigen T4-productie ondersteunen. Bij echte hypothyreoïdie (fT4 <10) is levothyroxine meestal nodig. Supplementen en medicatie kunnen complementair zijn.
Door stijgend TBG (thyroïdbindend globuline) in de zwangerschap wordt meer T4 gebonden. De schildklier moet 30-50% harder werken. Bij vrouwen met Hashimoto is extra monitoring en vaak dosisverhoging van levothyroxine nodig.
De laboratorium-referentiewaarde voor vrij T4 (fT4) ligt meestal tussen 12 en 22 pmol/L. Orthomoleculair streven we echter naar een functioneel optimum van 15–20 pmol/L, bij voorkeur in de bovenste helft van het bereik en in balans met vrij T3 (5,0–6,5 pmol/L) en TSH (1,0–2,0 mU/L). Waarden net binnen de referentiewaarde maar onderaan (12–14) geven vaak al klachten bij mensen gevoelig voor schildklierfluctuaties.
Een lage vrij T4 (< 12 pmol/L) wijst op hypothyreoïdie. Samen met verhoogde TSH bevestigt dit primaire hypothyreoïdie (meest bij Hashimoto). Lage fT4 met ‘normale’ of lage TSH duidt mogelijk op centrale hypothyreoïdie (hypofyse/hypothalamus). Klachten bij laag T4: vermoeidheid, gewichtstoename, kouwelijkheid, obstipatie, droge huid, haarverlies, brain fog. Ondersteuning: jodium, selenium, zink, ijzer, tyrosine — en medicatie waar nodig.
Een verhoogde vrij T4 (> 22 pmol/L) met onderdrukte TSH (< 0,4) wijst op hyperthyreoïdie. Meest voorkomende oorzaak: ziekte van Graves (auto-immuun met TSI-antistoffen). Andere oorzaken: toxisch multinodulair struma, thyroïditis (tijdelijk uitlekken van opgeslagen hormoon), overdosering levothyroxine. Klachten: hartkloppingen, gewichtsverlies, trillingen, slaapproblemen, diarree, warmteintolerantie, oogklachten (Graves). Altijd arts raadplegen bij vermoeden.
De ideale vrij T4 waarde ligt orthomoleculair tussen 15 en 20 pmol/L, met een vrij T3 tussen 5,0 en 6,5 pmol/L en een TSH tussen 1,0 en 2,0 mU/L. Een goede T4/T3-conversie betekent dat zowel fT4 als fT3 in de bovenhelft van hun referentie liggen. Een lage fT3 bij normale of hoge fT4 wijst op conversieproblemen — vaak door selenium/zink-tekort, stress (verhoogd reverse T3), leverproblemen of chronische ontsteking.
Een orthomoleculair therapeut bekijkt het totaalplaatje en stelt een persoonlijk protocol op.
Therapeut zoeken →